Heade

Facebook

facebook_page_plugin

TIPS om veel vogelsoorten te vinden

  • Het is vooral belangrijk om zo veel mogelijk potentieel geschikte plekken voor interessante vogels af te zoeken. Dat lukt beter als je je terrein goed kent, maar met onderstaande tips kun je eender waar uit de voeten.
  • Begin ’s morgens vroeg. Zonsopgang is een goed startmoment (6u08 op 8 mei). Tot een uur voor zonsopgang (5u00) kun je nog roepende uilen mee pikken.
  • Hoe langer buiten, hoe meer kans op nieuwe soorten, maar ook hoe trager ze komen.
  • Het is niet noodzakelijk strategisch beter om je van de ene plek naar de andere te reppen. Soms is ‘slow birding’ beter om moeilijk zichtbare of hoorbare soorten te vinden, zeker in de namiddag wanneer vogels minder vaak zingen, of kun je je beter concentreren op overvliegende soorten.
  • Als je veel geluiden kent heb je een dikke streep voor, want zo vogel je extreem veel efficiënter.
  • Verplaats je met de fiets, zo kun je meer plekken bezoeken, ook kleine baantjes doen, en hoor je onderweg toevallige doortrekkers zingen, bv. een Sprinkhaanzanger in een jonge bosaanplant of een Nachtegaal op een verbost opgespoten terrein.
  • Begin een half of zelfs heel uur voor zonsopgang in moeras, zeker als daar bijzondere soorten te verwachten zijn (Porseleinhoen, Roerdomp, Woudaapje, Sprinkhaanzanger, Snor, …). Bezoek daarna bos (maar zeker nog in de voormiddag) om de vogels op hun piekactiviteit te treffen. Veel bosvogels zijn niet zo heel vroeg wakker, al is het ochtendkoor van de Roodborsten en lijsterachtigen altijd indrukwekkend, maar dat zijn niet de soorten die je later op de dag niet meer vindt. De vogels van landbouwgebied, ook weidevogels, kun je begin mei tot rond de middag makkelijk horen zingen of roepen, of je vindt ze wel op zicht. Ook een mooie avond kan daar nog veel opleveren, zoals Kwartel, Geelgors en Patrijs, met Rietgors en Blauwborst in grachten. Tuinen op het platteland met brede dichte hagen kunnen goed zijn voor Spotvogel, Braamsluiper, Ringmus, Groenling en Putter. Al is de kans héél klein, op elk gazon kan een Hop, Beflijster of Draaihals zitten…
  • Check elke poel en brede gracht met wat slik: daar kan altijd een steltloper zitten of een Bergeend.
  • Druk bezochte natuurgebieden en provinciedomeinen bezoek je best ’s morgens vroeg, voor de meeste recreanten komen.
  • Scan de hemel regelmatig af op overvliegende vogels. Een uniform gekleurde hemel is lastig omdat je ogen dan moeilijk scherpstellen. Volg dan de contouren van wolken, vliegtuigstrepen of hoogspanningsleidingen, of hou nog wat horizon in beeld, dat lukt beter om scherp te blijven kijken en ‘stipjes’ te vinden. Dan is het natuurlijk nog kwestie van een naam op die stip te kunnen plakken. Dat vergt wat ervaring.
  • Als zich cumuluswolken (losse ‘schapenwolkjes’ met platte onderkant) vormen bij zonnig weer betekent dat dat de thermiek op gang komt. Speur dan de hemel af, zelfs met verrekijker, op zoek naar opschroevende roofvogels en andere zwevende (trek)vogels zoals meeuwen, ooievaars, Lepelaar, enzovoort. Vanaf zo’n tien minuten na het verschijnen van die wolkjes zijn de roofvogels daar. Vlak onder zulke wolken is de sterkste thermiek. Speur die wolkjes met je verrekijker af om te zien of er iets onder ‘draait’, dat kan zelfs op grote hoogte zijn. Als de lucht de hele dag egaal en heiig blijft, zonnig of met versluierde waterzon, met een vage oranje band aan de horizon, kortom ‘hogedrukweer’, dan is er geen thermiek van betekenis en ga je die soorten veel minder makkelijk zien. De Buizerden & co blijven dan in hun boom zitten. Thermiek met bijhorende wolken kan soms pas ’s namiddags op gang komen, de zwevende vogels dan ook. Af en toe is er ook bij blauwe lucht veel thermiek en zijn er geen cumuluswolken (‘droge thermiek’). Dan is het moeilijk om in het blauwe uitspansel kleine stippen te vinden. De beste plek is dan in het zenith: recht boven jou. Een paar uur ‘trektellen’ is een goede manier om de minder productieve namiddag te overbruggen en toch af en toe een soort aan de lijst toe te voegen.
  • Speur met de verrekijker kale velden en kort gras af op zoek naar vogels die op de grond leven, zoals Patrijzen, Tapuiten, plevieren, leeuweriken, enzovoort. Die zijn vaak goed gecamoufleerd, maar verraden zich door een beweging of contrast in hun koptekening. Check zeker zonnige plekjes op de overgang tussen korte en hogere vegetatie. Hier zonnen vogels graag.
  • Speur ook paaltjes, prikkel- en andere draden, struiken en dode takken af voor soorten als Paapje, Roodborsttapuit, Koekoek, Zomertortel, roofvogels, enz.
  • Let in oude knotbomen op Steenuilen die toevallig bloot zitten, maar ook Holenduiven zijn hier te vinden.
  • Check de onderste takken van grote bomen met brede kruinen, zoals hoogstamfruitbomen. Daar zitten soorten als Grauwe vliegenvanger, Gekraagde roodstaart, en vele andere graag.
  • Scan met je verrekijker door de boomkruinen en ga de dode takken af. Spechten, Boomklevers en Boomkruipers zijn in mei veel discreter dan anders want ze zitten volop in de broedzorg. Er zijn véél takken in een bos om af te zoeken. Zie het als een steekproef. Je vindt vaak meer dan je zou denken.
  • Luister de hele tijd goed of er jou onbekende vogelgeluiden weerklinken en ga dan geduldig op zoek naar de ‘bron’ daarvan. Leer vooraf klassiekers (voor de tijd van het jaar) die zich moeilijker in de vlucht op zicht laten determineren zoals Gras- en Boompieper, Gele, Witte en Grote gele kwikstaart, Kneu, Putter en Groenling, en luidruchtige steltlopers als Groenpootruiter, Tureluur, Bosruiter, Witgatje (zeldzaam in mei), Oeverloper en Regenwulp.
  • Wees alert op alarmgeluiden van mezen, Merel en Huismus (een snelle triller “trrrrr”): dit wijst meestal op een jagende roofvogel zoals Sperwer, Boom- of Torenvalk.
  • Zie je vogels op de grond die schuin naar boven kijken: check de kijkrichting, meestal vliegt er een roofvogel of een andere grote vogel over. Ze zien beter dan ons!
  • Las gerust een pauze in als het ‘slabakt’, daarna sta je weer scherp.
  • Blijf regelmatig stilstaan of ga ergens zitten om te luisteren en te kijken. Vergeet niet te genieten en misschien hopt er wel een rariteit in beeld.
  • Bij tegenwind (= NO-wind) zullen meer trekvogels halt houden. Besteed dan extra aandacht aan goede steltloperplekken en plekken voor veel zangvogels. Bij rugwind (= ZW-wind) kan het zijn dat de steltlopers vertrokken zijn en doortrekkers te hoog overvliegen om gemakkelijk gezien te worden. Dan wordt het moeilijker om het record te breken, maar het blijft een aangename dag met veel zang. Bij NW-wind met buien is er bij elke bui kans op landende steltlopers, meeuwen, sterns, en dergelijke. Dan is het goed op een strategische plek te staan waar die soorten makkelijk kunnen landen. Soms blijven ze maar de duur van de bui, soms de rest van de dag. ZO-wind stuwt veel trekvogels richting kust waar langs de zeereep dan hoge aantallen trekvogels van heel veel soorten kunnen passeren. In het binnenland is de kans op rariteiten dan ook groter, al pleisteren er dan wat minder vogels. Trektellen vanop een vast punt met breed uitzicht richting ZW is dan een goede strategie.
  • Smeer zonnecrème vóór je verbrand bent. Breng genoeg eten en drinken mee, je verbruikt meer calorieën dan achter je bureau.
  • Het is heel normaal dat je één of twee gewone soorten helemaal niet vindt die dag. Gisteren wel en morgen zeker ook, maar vandaag dus echt niet hé. Dat wil zeggen dat je je record volgend jaar misschien nog iets scherper kunt krijgen.
  • Veel ‘werk’ allemaal ? Ja! Maar dat is het ‘m net. Als het goed was ben je ’s avonds heerlijk moe !